S. Wensing _ 10-06-25 _ Help, mijn paard is non-conform
De belangrijkste pijler in het hippisch kooprecht is de non-conformiteitkwestie. Dit is een lastig leerstuk. De teleurgestelde koper van een paard zal moeten aantonen dat het door de verkoper geleverde paard niet aan de overeenkomst beantwoordt, ofwel ‘niet conform’ is. Dit is een rechtsgrond op grond waarvan de koopovereenkomst tussen partijen ontbonden kan worden. Het paard moet dan terug en de koopsom en alle kosten moeten aan de koper terugbetaald worden.
In de praktijk merk ik dat de rechtbanken ook nog eens weinig uniform kunnen oordelen over de vraag wanneer een gebrek bij een paard als non-conform wordt aangemerkt. Zo heeft de rechtbank in Groningen beslist dat een verborgen krampentrekken non-conform is. Ofschoon vast stond dat het paard voorafgaande aan de koop leed aan krampentrekken, vond een rechter in Assen juist niet dat dit tot ontbinding kon leiden, omdat het paard nog steeds geschikt was voor de beoefening van de dressuursport. De rechtbank in Rotterdam ontbond de koopovereenkomst omdat het geleverde paard leed aan een gebrek dat gebruik van het paard niet in de weg staat. Tegenstellingen dus. De procederende partij zal werkelijk alles uit de kast moeten trekken om aan te tonen dat het gebrek het paard ongeschikt maakt.
Het wordt nog ingewikkelder. Ik heb geprocedeerd over een paard dat met een stamboekpapier was geleverd dat bij een ander paard hoorde. Hierdoor beantwoordt het paard niet aan de overeenkomst, ondanks dat het paard niet minder geschikt is voor het doel waarvoor het is aangeschaft.
Het wordt nog complexer indien het leerstuk dwaling (onjuiste voorstelling van zaken) naast de non-conformiteit een rol speelt. Zo heeft de rechtbank in Amsterdam geoordeeld dat in een zaak omtrent een verkocht paard, dat in werkelijkheid veel ouder was dan in het paardenpaspoort was aangegeven, ontbinding niet aan de orde was, maar slechts volstaan kon worden met een geringe prijscompensatie. Dit terwijl bij auto’s een verkeerde kilometerstand wel leidt tot ontbinding.
Om door de bomen toch enigszins het bos te kunnen zien, schets ik de hoofdregels. In de eerste plaats dient een paard aan de overeenkomst te beantwoorden. Dat wil zeggen: voor normaal gebruik geschikt te zijn. Een paard dat ten tijde van de koop leed aan een verborgen chronische ziekte, zoals hoefkatrolontsteking, is niet geschikt voor normaal gebruik en ontbinding ligt dan ook in de rede. Een paard kan ook non-conform zijn indien het niet geschikt is voor bijzonder gebruik, zoals tussen partijen is overeengekomen. Een paard dat wordt verkocht als top-dressuurpaard, zal geschikt moeten zijn voor de hogere dressuursport. Dit is een bijzonder gebruik. Een gebrek kan het paard ongeschikt maken voor de topsport, maar blijft geschikt voor bijvoorbeeld de recreatie of de fokkerij.
Een tweede regel is dat het paard geschikt moet zijn voor het doel waarvoor het is aangeschaft. Deze regel kan botsen met de vorige. Illustratief is het voorbeeld over krampentrekken. Een paard dat hieraan lijdt kan zelfs op Grand Prix-niveau acteren. De rechtbank zal dan de vraag moeten beantwoorden of de koper de aanwezigheid van dit gebrek op de koop toe mocht nemen. Ook dit leidt tot discussies. Wellicht geldt hier een zware onderzoeksplicht op de koper. Een paard dat ten onrechte wordt goedgekeurd, zal sneller non-conform zijn dan een paard dat niet gekeurd is en waarbij achteraf verborgen gebreken zijn vastgesteld.
Ik kom toe aan een afronding. Een paard is niet conform indien het voorafgaand aan de koop behept was met een gebrek, waardoor het niet geschikt is voor het doel waarvoor het is aangeschaft of indien de koper ervan uit mocht gaan dat dit gebrek niet aanwezig was, ondanks het feit dat dit gebrek gebruik van het paard niet in de weg staat. Het lijkt mij dan ook dat de koper op twee gronden succesvol de koop ongedaan kan maken. En dit verklaart de tegenstrijdige uitspraken over non-conformiteit bij paarden.
Mr. Stephan Wensing, advocaat
Deze column verscheen vrijdag 25 juni 2010 in De Paardenkrant. Terug |