2007/38 14 augustus 2008 HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
___________________________________________________________________________
Uitspraak in de zaak van
X, wonende te A en Y, wonende te B, klagers
tegen
Z, wonende te C, beklaagde
1. PROCEDURE
Bij klaagschrift ontvangen op 24 mei 2007 hebben klagers zich tot het Veterinair Tuchtcollege gewend.
Beklaagde heeft een verweerschrift ingediend dat op 1 augustus 2007 door het College werd ontvangen.
Klagers hebben hierop gereageerd bij repliek ontvangen op 13 september 2007.
Beklaagde heeft een dupliek ingediend, die op 22 november 2007 werd ontvangen.
Het College heeft de zaak op 10 juli 2008 ter zitting behandeld.
Klagers zijn, vergezeld door de heer X en bijgestaan door mr. W, advocaat, in persoon verschenen.
Beklaagde was, vergezeld door zijn echtgenote mw. V, en bijgestaan door
mr. T, advocaat, eveneens in persoon aanwezig.
2. KLACHT
In de schriftelijke klacht, zoals toegelicht ter zitting, verklaren klagers zakelijk weergegeven het volgende.
2.1. De heer Y (verder: Y) was in 2006 eigenaar van een paard, genaamd YYYYYYYYY. Het paard stond gestald bij mw. X (verder: X).
Aan het eind van het jaar 2006 heeft mw. S, handelend onder de naam XXXXXXXXX (verder: S), belangstelling voor het paard getoond, met de bedoeling het door te verkopen aan de in Amerika wonende mw. R (verder: R).
S en R hebben samen het paard bezichtigd. S besloot tot aankoop, onder de voorwaarde dat beklaagde het paard goed zou keuren. De keuring vond plaats op 6 december 2006. Beklaagde maakte met betrekking tot de achterbenen van het paard de bemerking ‘When doing the spaving test a little bit trembling – no problem’ en gaf een positief aankoopadvies. De echtgenoot van X heeft het paard en het keuringsrapport meegenomen.
2.2. S wilde het paard doorverkopen aan R en heeft in verband daarmee beklaagde verzocht een nieuw keuringsrapport, zonder de voornoemde bemerking, op te stellen.
Beklaagde heeft aan het verzoek voldaan en heeft een tweede, aangepaste, versie van het keuringsrapport in opdracht van S aan R gezonden.
Op basis van het tweede keuringsrapport heeft R het paard van S gekocht.
1 2007/38 14 augustus 2008
Het paard werd in januari 2007 aan R geleverd. Korte tijd na aankomst bleek het paard een probleem aan achterbenen te vertonen, namelijk krampentrekken of hanetred.
2.3. Begin februari 2007 heeft beklaagde aan X medegedeeld dat het niet goed ging met het paard en dat hij zich zorgen maakte over zijn rol in het geheel. S en beklaagde hebben X gevraagd het oorspronkelijke rapport te vernietigen. X heeft hierin niet toegestemd. Haar advocaat heeft een en ander gecommuniceerd met de advocaat van R.
Vervolgens hebben beklaagde, S en R hun verklaringen op elkaar afgestemd, opdat R financieel schadeloos zou worden gesteld door X en Y. Beklaagde heeft in dat verband ten gunste van R een verklaring opgesteld, waarin hij bevestigt dat hij op verzoek van S een tweede keuringsrapport heeft opgesteld, waarin hij verklaart dat de problemen aan de achterhand, ten tijde van de keuring al aanwezig waren, dat X dat moet hebben geweten, maar dat hij het zelf niet heeft kunnen constateren. Y en X bestrijden de stelling dat het paard al voor 6 december 2006 de problemen aan de achterhand had.
2.4. De door beklaagde opgestelde keuringsrapporten vertonen, behalve de verwijderde bemerking nog op andere punten onderlinge tegenstrijdigheden. De röntgenologische beoordeling verschilt en beklaagde heeft in de tweede versie zelf zijn paraaf gezet op de plaats voor de handtekening van de klant.
2,5, Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de veterinaire colleges concluderen klagers dat op het handelen van beklaagde de onderdelen a en b van artikel 14 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 van toepassing zijn. Zij verzoeken beklaagde een zware maatregel, ten minste een onvoorwaardelijke schorsing, op te leggen.
3. VERWEER
In het verweerschrift, zoals toegelicht ter zitting, verklaart beklaagde zakelijk weergegeven, het volgende.
a. Met betrekking tot de ontvankelijkheid
3.1. Beklaagde voert aan dat klagers niet – ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat zij ten tijde van het indienen van de klacht niet meer de eigenaren van het paard waren en dus niet meer rechtstreeks belanghebbend, als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990.
Beklaagde wijst in dit verband op een uitspraak van dit College met zaaknummer 97/0020.
Verder zijn klagers, zo stelt beklaagde, niet – ontvankelijk omdat zij met het oog op hun eigen belang hebben meegewerkt aan het tot stand komen van een tweede versie van het keuringsrapport.
Tenslotte zijn klagers niet - ontvankelijk omdat zij in de onderhavige zaak geen eigen te respecteren belang meer hebben nu in de uitspraak van de rechtbank Assen is geoordeeld dat zij niet de verkopers van het paard waren, waaruit voorvloeit dat zij niet meer de procespartij van R zijn.
b. Met betrekking tot de zaak ten gronde
3.2. Beklaagde deed vaker aankoopkeuringen voor S. In dat kader werd hem verzocht het paard YYYYYYYYY voor aankoop door S te keuren. Beklaagde werd er door S niet van op de hoogte gesteld dat zij het paard onmiddellijk zou doorverkopen aan een derde koper, althans daarover in onderhandeling was.
2 2007/38 14 augustus 2008
3.3. Tijdens de klinische keuring merkte beklaagde een lichte vorm van krampentrekken aan een van de achterbenen op. Hij heeft hierover telefonisch contact opgenomen met S en gevraagd of hij door moest gaan met de keuring. Zij antwoordde daarop bevestigend.
3.3 De echtgenoot van X was bij de klinische keuring aanwezig. Beklaagde heeft hem gevraagd of er nog bijzonderheden waren. De heer X ontkende dit. Eerst toen beklaagde het krampentrekken opmerkte, zei hij dat hij er niet aan had gedacht te melden dat het paard dit wel eens vertoonde bij de hoefsmid. Desgevraagd verklaarde de heer X dat het paard in de paddock of in de stal nimmer krampentrekken liet zien.
Beklaagde heeft derhalve, mede op grond van de verklaring van de heer X, een positief aankoopadvies gegeven, met een bemerking over het krampentrekken. Beklaagde heeft het keuringsrapport meegegeven toen het paard werd opgehaald. Aan S heeft hij het per fax toegezonden.
3.4. Enkele uren nadien heeft S telefonisch contact opgenomen en medegedeeld dat zij met X over het krampentrekken had gesproken en dat zij het er over eens waren dat dit niet van belang was. S verzocht beklaagde daarom de bemerking uit het rapport te verwijderen. Omdat het verzoek door de opdrachtgeefster, kennelijk in overleg met de verkoper, werd gedaan, heeft beklaagde ingestemd met het verzoek. Beklaagde meent dat dit tot de beleidsvrijheid van de dierenarts behoort.
3.5. Beklaagde heeft er helaas niet mee gerekend dat X –Krom het door hem te goeder trouw meegegeven eerste rapport in de juridische strijd tussen haarzelf, S en R zou gebruiken.
R heeft beklaagde in een telefonisch contact medegedeeld dat de door haar geraadpleegde dierenarts had vastgesteld dat het paard leed aan ‘stringhalt’ (hanetred).
Dit is een afwijking die berust op neuropathie. Het krampentrekken is een geheel andersoortige aandoening met een neuromusculair aspect.
Beklaagde heeft na maart 2007 informatie ingewonnen waaruit bleek dat de problemen aan de achterhand al op diverse tijdstippen door diverse personen was opgemerkt en ook door de vorige eigenaar aan X was gemeld. X heeft hem dus opzettelijk onjuist voorgelicht.
3.6. Beklaagde erkent dat hij het tweede rapport voor S (per order) heeft ondertekend. S heeft dit gezien en heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
3.7. Beklaagde stelt dat door zijn handelen geen ernstige schade voor de gezondheidszorg voor dieren heeft kunnen ontstaan en concludeert tot ongegrond - verklaring van de klacht.
4. VASTSTAANDE FEITEN
Het College gaat uit van de volgende vaststaande, dan wel onvoldoende weersproken feiten.
4.1. Op 6 december 2006 heeft beklaagde in opdracht van de beoogde koper S een paard, genaamd YYYYYYYYY, gekeurd dat gestald stond bij X en toebehoorde aan Y.
4.2. Beklaagde heeft bij de klinische keuring vastgesteld dat het paard bij de spatproef een lichte mate van krampentrekken vertoonde. Nadat hij deze waarneming had gedaan, heeft beklaagde telefonisch contact opgenomen met S, met de vraag of hij de keuring voort moest zetten. S heeft bevestigend geantwoord. Beklaagde heeft derhalve de keuring voortgezet en een keuringsrapport opgesteld.
3 2007/38 14 augustus 2008
4.3. In het keuringsrapport is op de plaats voor de ondertekening door de opdrachtgever niets ingevuld. Voor zover in dit verband van belang is met betrekking tot het röntgenologisch onderzoek ingevuld ‘proximal sesamoid bones LF 1-2, RF 1-2, fetlock joint LF 1, RF 1’. Beklaagde heeft onder de rubriek ‘Other findings and remarks’ genoteerd: ‘When doing the spaving test a little bit nervous trembling – no problem’ en heeft een positief aankoopadvies gegeven.
4.4. Op verzoek van S, die het paard wilde doorverkopen aan R, heeft beklaagde een tweede versie van het rapport opgesteld. Op de plaats voor de ondertekening door de opdrachtgever staat een paraaf, niet die van beklaagde, maar wel door beklaagde geplaatst. Met betrekking tot het röntgenologisch onderzoek is ingevuld ‘proximal sesamoid bones LF 1, RF 1, fetlock joint LF 1 -2, RF 1 -2’. Onder de rubriek ‘Other findings and remarks’ is de in het eerste rapport gemaakte bemerking weggelaten.
4.5. S heeft het paard gekocht en doorverkocht aan R. Het paard is naar Amerika overgebracht, waar het na verloop van enige tijd een aandoening vertoonde, die aanvankelijk werd gediagnosticeerd als ‘hanentred’ maar volgens anderen te kwalificeren was als ‘krampentrekken’.
5. OVERWEGINGEN
a. Met betrekking tot de ontvankelijkheid
5.1. Beklaagde heeft aangevoerd dat klagers niet – ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat zij ten tijde van het indienen van de klacht niet meer de eigenaren van het paard waren en dus niet meer rechtstreeks belanghebbend, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (WUD).
Beklaagde heeft gewezen op een uitspraak van dit College met zaaknummer 97/0020.
Daarnaast zijn klagers volgens beklaagde, kort gezegd, niet – ontvankelijk omdat de tweede versie van het keuringsrapport met hun medeweten tot stand is gekomen en zij bij de onderhavige zaak geen eigen belang meer hebben.
5.2. Het College overweegt hierover als volgt.
Het Veterinair Beroepscollege heeft in de zaak met nummer VB 96/12 overwogen:
‘Met het Veterinair Tuchtcollege is het Veterinair Beroepscollege van mening dat het opstellen van verklaringen omtrent de gezondheidstoestand van een dier moet worden aangemerkt als het uitoefenen van de diergeneeskunde als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990. De memorie van toelichting vermeldt met name ook dat een keuringsdierenarts, wanneer hij dieren van anderen behandelt, dient te worden aangemerkt als beoefenaar van de diergeneeskunde.’
Het opstellen van verklaringen omtrent de gezondheidstoestand van een dier wordt derhalve aangemerkt als het uitoefenen van de diergeneeskunde als bedoeld in artikel 1 van de WUD.
Ingevolge artikel 29, eerste lid, WUD, kunnen klachten over diergeneeskundig handelen worden ingediend door de rechtstreeks belanghebbende.
Als rechtstreeks belanghebbend wordt in ieder geval aangemerkt de eigenaar van een dier. Degene die eigenaar was van een dier ten tijde van het diergeneeskundig handelen, dan wel nalaten, kan een klacht indienen, ook als hij op dat moment geen eigenaar meer is. De door beklaagde aangehaalde uitspraak is in dit geval niet van toepassing omdat het aangeklaagde handelen, te weten euthanasie van een hond, lag na het moment dat de klager in die zaak de zeggenschap over de hond aan een ander had overgedragen.
In de tuchtrechtprocedure staat centraal het bevorderen van de juiste uitoefening van de diergeneeskunde. De eventuele andere belangen van klagers spelen daarbij geen rol.
5.3. X was op 6 december 2006 geen eigenaar meer. Zij is, gelet op het voorgaande, derhalve in haar klacht niet – ontvankelijk.
4 2007/38 14 augustus 2008
5.4. Y was ten tijde van de keuring wel de eigenaar van het paard. Hij kan dus in zijn klacht worden ontvangen.
b. Met betrekking tot de klacht ten gronde
5.5. In geding is of beklaagde te kort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het paard van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen dan wel op andere wijze in zodanige mate te kort is geschoten in hetgeen van hem als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht, dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade kon ontstaan.
In het kader van het veterinair tuchtrecht staat slechts het diergeneeskundig handelen van beklaagde ter beoordeling. Dat wil in dit geval zeggen de wijze waarop beklaagde de keuring van klagers paard heeft verricht en achtereenvolgens twee versies van het keuringsrapport heeft opgesteld. De gedragingen van beklaagde in de civielrechtelijke procedure blijven derhalve buiten beschouwing.
5.6. Het College overweegt volgens de vaste jurisprudentie dat de keuring van een paard valt onder artikel 14, onderdeel a, van de WUD. Het is immers in het belang van het betrokken dier dat degene aan wie het is toevertrouwd, op de juiste wijze wordt geïnformeerd omtrent de klinische conditie van dit dier, zodat de houder weet welke gezondheidsrisico’s aan het gebruik daarvan zijn verbonden en voorkomen wordt dat het op een andere wijze wordt gebruikt dan waarvoor het geschikt is. Als een dierenarts gezondheidsrisico’s niet vermeldt in het keuringsrapport, valt dit dus aan te merken als een tekort schieten in zorg voor het dier.
Met betrekking tot de door beklaagde uitgevoerde keuring overweegt het College, dat deze niet als veterinair onjuist is aan te merken. In de eerste versie van het rapport heeft beklaagde, ondanks de daarin vermelde bemerking over het krampentrekken bij de spatproef, een positief aankoop advies gegeven. Dit was veterinair niet onjuist. Door het weglaten van de eerder genoemde bemerking in de tweede versie van het rapport is beklaagde wel tekort geschoten in zorg voor het paard.
5.7. Het College heeft vervolgens te oordelen over het feit dat beklaagde, op verzoek van S, een tweede versie van het keuringsrappport heeft opgesteld.
Vaste jurisprudentie is dat een dierenarts elke relevante (neven)bevinding in het keuringsrapport dient te vermelden, ook al meent hij, na afweging, dat deze niet in de weg behoeft te staan aan een positief advies.
Het College overweegt, eveneens volgens vaste jurisprudentie, dat een door een dierenarts gegeven verklaring omtrent de gezondheid van een dier betrouwbaar dient te zijn op straffe van grote schade voor het vertrouwen in de zorgvuldige en bekwame taakuitoefening van dierenartsen in het algemeen, waardoor ernstige schade voor de gezondheidszorg voor dieren voorzienbaar is.
Tevens overweegt het College dat in het maatschappelijk verkeer een verklaring, als hier aan de orde is, gezocht en gegeven wordt vanwege het gezag dat van zulk een verklaring uitgaat. Dit gezag berust op het feit dat van een verklaring van een dierenarts mag worden verwacht dat deze eerst wordt afgegeven na een deugdelijk onderzoek en naar beste kunnen en weten van de betrokken dierenarts. Gelet op dit karakter van de verklaring is het College van oordeel dat het afgeven van een verklaring door een dierenarts over de gezondheid van een dier gerekend dient te worden tot het handelen van een dierenarts waarop artikel 14, onderdeel b, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 van toepassing is.
5 2007/38 14 augustus 2008
5.8. Vast staat dat beklaagde een tweede versie van het keuringsrapport heeft opgesteld en verzonden, die verschilt van de eerste. Beklaagde heeft ter verdediging aangevoerd dat hij de bemerking wegliet op het gezamenlijke verzoek van de verkoper en de aankoper van het paard. Klager heeft gesteld dat hij niet van het opstellen van een tweede versie op de hoogte was.
Het College overweegt dat, ook indien als onweersproken zou kunnen worden vastgesteld dat Y en S tot een dergelijke overeenkomst zouden zijn gekomen, de stelling van beklaagde geen doel zou treffen. Beklaagde wist immers zeer goed dat S een handelsstal heeft en hij moet zich dus redelijkerwijs hebben gerealiseerd, dat er een opvolgende koper was, althans zeer waarschijnlijk zou kunnen zijn. Dit verweer kan dus niet slagen
5.9. Beklaagde heeft voorts aangevoerd dat het aanbrengen van kleine correcties in een keuringsrapport onder de beleidsvrijheid van de dierenarts valt.
Het College is van oordeel dat het aanbrengen van correcties weliswaar op zich zelf niet ongeoorloofd is, maar dat dan wel duidelijk moet blijken, dat sprake is van een correctie en waarom die correctie is aangebracht. In het onderhavige geval was overigens geen sprake van een correctie. Ook achteraf heeft beklaagde nimmer gesteld dat hij het krampentrekken niet heeft waargenomen. De aandoening was ook niet verwaarloosbaar, want beklaagde heeft er wel een aanleiding voor telefonisch contact met de opdrachtgeefster in gezien. Ook dit verweer treft geen doel.
5.10. Klager heeft er op gewezen dat het tweede keuringsrapport nog andere verschillen vertoont met het eerste. Zo verschillen de röntgenologische kwalificaties als aangegeven onder 4.3. Beklaagde heeft uiteengezet dat dit te wijten was aan de omstandigheden waaronder het tweede rapport werd opgesteld.
Het College overweegt dat dit weliswaar veterinair niet juist was, maar niet van belang voor het uiteindelijke advies. Zowel met de röntgenologische kwalificaties van het eerste als van het tweede rapport, kon een positief aankoopadvies worden gegeven.
5.11. Klager heeft tenslotte gewezen op het feit dat beklaagde op de eerste bladzijde van het tweede rapport op de plaats voor de ondertekening door de opdrachtgever een paraaf heeft gezet, die afwijkt van zijn eigen handtekening. Beklaagde heeft aangevoerd dat hij dit heeft gedaan in opdracht van S. Het College overweegt dat beklaagde ook op dit punt niet correct heeft gehandeld. In beginsel dient de dierenarts er voor te zorgen dat de opdrachtgever het keuringsrapport ondertekent. Pas als dit niet mogelijk is kan een dierenarts ondertekenen per order, met zijn eigen, duidelijk herkenbare handtekening.
5.12. De conclusie is dat de klacht gegrond verklaard dient te worden. De op te leggen maatregel is een waarschuwing, als bedoeld in artikel 16, onderdeel a, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990.
6. BESLISSING
Het College:
Verklaart X niet – ontvankelijk;
Verklaart Y ontvankelijk;
Verklaart de klacht gegrond.
6 2007/38 14 augustus 2008
Geeft beklaagde een waarschuwing, als bedoeld in artikel 16, onderdeel a, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990.
Aldus vastgesteld te ‘s- Gravenhage door mr. O. Scheltema – de Nie, voorzitter, en door de leden drs. E.K. Dolfijn, drs. Th.A.M. Witjes, drs. J. Hilvering en drs. H.W. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Hofstede - Bron, secretaris.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2008 door mr. O. Scheltema- de Nie, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Hofstede - Bron, secretaris.
mr. A.G. Hofstede – Bron mr. O. Scheltema- de Nie
Terug |
|