|
Een cliënt vraagt altijd aan mij of ik de zaak ga winnen.
. Deze vraag is begrijpelijk, maar vaak niet goed te beantwoorden. In geen enkel wetboek staat wanneer je een zaak wint. Bijna geen enkele zaak is identiek en als er al uit de jurisprudentie een richtlijn gehaald kan worden is deze weer onderhevig aan hogere rechtspraak (bijvoorbeeld het internationale recht). Feitelijk kan de vraag ‘wie gaat er winnen’ niet voorshands beantwoord worden. Wel kan ik een inschatting van kansen geven, gebaseerd op wetskennis, bestudering van relevante jurisprudentie en ‘eigen’ materiaal. Echter hierbij speelt wel een rol dat Nederland 19 rechtbanken en 5 gerechtshoven telt die zeker niet eensluidend oordelen. Het recht en de materiële en formele rechtspraak is een doolhof van puzzelstukjes en het vergt jarenlange ervaring om hier iets van te kunnen maken. Het adagium dat iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen is eigenlijk absurd. Dit kan zelfs van een jurist niet verlangd worden.
Anderzijds is het veelal niet moeilijk om in een zaak vast te stellen wat de kern betreft. Bij koopkwesties gaat het bijna altijd om de vraag of het geleverde paard aan de overeenkomst beantwoordt. De beantwoording van die vraag (wat uiteindelijk de uitslag van de procedure zal bepalen) is daarentegen uiterst complex. Wat is de overeenkomst? Wanneer beantwoordt het paard hieraan? Beantwoordt een recreatiepaard dat lijdt aan krampentrekken dat voorafgaande aan de koop niet zichtbaar was, aan de overeenkomst? Dit antwoord zou ja en nee kunnen zijn. Rechter X zou kunnen oordelen dat het gebrek krampentrekken het gebruik van het paard als recreatiepaard niet in de weg staat en daarom geschikt is voor het doel waarvoor het is aangeschaft. Rechter Y zou kunnen overwegen dat het paard lijdt aan een verborgen gebrek, waardoor het paard feitelijk ongezond is en daardoor niet aan de overeenkomst beantwoordt, omdat ook een recreatiepaard gezond dient te zijn. De advocaat die voor de koper optreedt en bij rechter X terecht komt heeft pech. Bij rechter Y zou hij de zaak winnen. Er zijn overeenkomsten met een jurysport, zoals de dressuur. In grote lijnen staat het juridische kader wel vast, maar uiteindelijk is de rechter volledig vrij in het waarderen van het bewijs. Een jurylid heeft waarschijnlijk nog veel meer vrijheden dan een rechter, maar feit blijft dat je volledig afhankelijk bent van één persoon die beslist of je wint of verliest. In die zin is het jureren eerlijker, omdat je dan wordt beoordeeld door meerdere juryleden (althans in de hogere klassen). Daarentegen kun je tegen een dressuuruitslag geen hoger beroep instellen (behoudens formele aspecten), wat bij een vonnis van een rechter weer wel mogelijk is. Met interesse (ik ben ook jurylid) heb ik de discussie gevolgd die is ontstaan naar aanleiding van de uitslagen van de Olympische Spelen. Ik was zelf ook wel verrast over de punten van de kür van Isabell Werth. Een score van meer dan 78% voor een proef waarin het paard hevig staakt is wel verwonderlijk temeer nu niet alleen het betreffende onderdeel is mislukt, maar ook geen hoge punten gegeven kunnen worden voor de harmonie tussen ruiter en paard wat vier keer telt. Het paard van Heike Kemmer kwam er overigens ook niet geheel gehoorzaam vrij van af dus ik begrijp de frustratie van de net niet medaille winnaars. Maar ja, dat is het spel. Je kunt winnen of verliezen en dat heb je niet altijd zelf in eigen hand. De Amerikanen hebben hierover een zeer interessante theorie, namelijk het effect van de mobiliteitstheorie op de sport. Dit is het zorgvuldig omgaan met de scheidslijn tussen het manipuleren en het overtreden van de regels, tussen slimmigheden en valsspelen. Ofwel de regels gebruiken om de winst te behalen, zoals een advocaat de mazen van de wet zal benutten om zijn cliënt vrij te pleiten. Het dunkt mij dat manipulatie een sterk middel is om te kunnen winnen ….
Terug |
|
 |