01-06-16 - Vordering wederpartij afgewezen

Plaatsing: 02-06-2016
Uitspraken >> Nieuws

De cliënte van mr. Wensing heeft een aantal dressuurpaarden gekocht van een bekende paardenhandelaar. Nadien is een aantal geschillen opgetreden over onder meer veterinaire gebreken, gemaakte afspraken, mede eigendom en onjuiste mededelingen bij het tot standkomen van de koopovereenkomsten. De aankoop ging vergezeld van een koopovereenkomst die op naam van de koper was gesteld. De koopsom werd echter bestaald door de moeder van de koper en uit naderhand opgestelde facturen bleek dat de verkoper een b.t.w. nummer had gebruikt van een bedrijf van de moeder. Opmerking verdient dat dit bedrijf niets te maken heeft met paarden.

Volgens de verkoper was niet dochter maar moeder de koper en kon de zaak niet als consumentenzaak behandeld worden, omdat de moeder bedrijfsmatig handelt. De wederpartij vorderde dan ook dat de rechter zich onbevoegd zou verklaren. Ook zouden verschillende zaken volgens de wederpartij samengevoegd moet worden en zouden de geschillen al in een vaststellingsovereenkomst zijn geregeld en zouden partijen elkaar funale kwijting hebben verleend en derhalve niets meer van elkaar te vorderen hebben. Bij vonnis van 1 juni 2016 wees de rechter de vorderingen van de wederpartij af. 

De rechter oordeelde dat de factuur en koopovereenkomst door de verkoper op de naam van de dochter was gesteld met als adres het adres van de stal van de moeder in Engeland. Ook is het betreffende paard op naam van de dochter geregistreerd bij de F.E.I. en vermelden alle koopovereenkomsten dezelfde koper. Dat de moeder de facturen heeft betaald betekent niet dat zij de koper is. Over de facturen merkt de rechter op dat het van algemene bekendheid is dat b.t.w. fouten gemaakt kunnen worden, zoals ook 'zwart' en 'wit' betaald kan worden. De cliënte had hierover gesteld dat de wederpartij ten onrechte een verkeerd b.t.w. nummer had gebruikt, namelijk niet die van de koper (die is immers consument en niet in het bezit van een b.t.w. nummer). Ook oordeelt de rechter dat er van geen enkele finale kwijting regeling is gebleken en de door de wederpartij benoemde vaststellingsovereenkomst met name betrekking heeft op een onroerend goed transactie.

De rechter acht zich bevoegd en oordeelt dat er van uitgegaan kan worden dat de zaak een consumentenzaak is. Dit heeft later grote gevolgen voor de bewijslastverdeling nu in een consumentenzaak bij de constatering van een gebrek binnen zes maanden na de levering vermoed wordt dat dit gebrek ten tijde van de levering al aanwezig was.

De wederpartij wordt door de rechter als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

Terug
↑