10-05-15 - Toepassing consumentenkoop

Plaatsing: 10-05-2015
Uitspraken >> Nieuws
De cliënte van Mr Wensing kocht een paard van een professionele stal. Het paard bleek na de koop behept te zijn met een knie probleem. De zaak betreft een consumentenkoop en dan geldt een bewijsvermoeden, zodat de verkoper het tegendeel van de aanwezigheid van een verborgen gebrek dient te bewijzen. De zaak werd voorgelegd aan de kantonrechter en de verkoper beriep zich op het standpunt dat het gebrek waar de zaak over gaat zich niet leent voor omkering van de bewijslast. Op grond van de door partijen over en weer betrokken stellingen kan de kantonrechter niet vaststellen of het paard reeds tijdens de levering leed aan de aandoening habituele patellafixatie. De onzekerheid over deze vaststelling blijkt vooral uit de verklaringen van de keuringsarts die schrijft de knieën geïnspecteerd te hebben maar niets te hebben gevonden, en een andere dierenarts, die schrijft dat bij de keuring de reeds aanwezige aandoening onopgemerkt kan blijven. De onmogelijkheid om op basis van de stellingen van partijen een voor de beoordeling relevant feit vast te stellen, leidt tot bewijslevering van dat feit. Vervolgens is de vraag op wie van partijen de bewijslast rust. De kantonrechter oordeelt in het voordeel van de cliënte van mr. Wensing. Ook bij een gebrek als onderhavige geldt onverkort de bescherming die het consumentenkooprecht de koper biedt. Indien een gebrek binnen 6 maanden na de koop ontstaat (zoals in deze zaak is geschied) dan geldt dat wordt vermoed dat dit gebrek reeds voorafgaande aan de koop aanwezig was. In deze zaak zal de verkoper moeten bewijzen dat het gebrek ten tijde van de koop niet aanwezig was.Terug
↑