18-05-15 - Cliënte wint zaak over opheffing beslag

Plaatsing: 18-05-2015
Uitspraken >> Nieuws

De cliënt van mr. Wensing kocht een paard. Na de levering legde de wederpartij beslag op het paard en beriep zich hierbij op het standpunt dat de verkoper van het paard niet beschikkingsbevoegd zou zijn, de verkoop en levering zou alsdan niet rechtsgeldig zijn geschied. De cliënt stelde dat hij geheel te goeder trouw had gehandeld. Hij heeft het paard gekocht, de koopsom betaald en vervolgens bij het stamboek op zijn naam over laten schrijven. Met enige discussie over eigendomsrechten tussen de verkoper en andere partijen was de cliënte geenszins mee bekend. Hierop spande de cliënt een procedure aan en vorderde onder meer opheffing van het beslag en schadevergoeding. De rechtbank oordeelde als volgt:

"De vraag die dan voorligt, is of de eisende partij  ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de hengst  te goeder trouw was (artikel 3:86 lid 1 BW). De gedaagde partij betwist dat. Volgens de gedaagde partij gonsde het binnen het stamboek van de geruchten over conflicten die er bestonden tussen de gedaagde partij en de stoeterij over de eigendom van hengsten/hengstveulens die bij de stoeterij gestald stonden.

 
De eisende partij heeft ook kennisgenomen van de mededeling die op de website van de gedaagde partij heeft gestaan over de discussie omtrent de eigendom van de hengsten. Ook waren er contacten, die hebben plaatsgevonden ruim vóór de aankoop van de hengst, waarbij de gedaagde partij met de eisende partij heeft gesproken over de stoeterij en de conflicten die er bestonden tussen haar en de stoeterij over de eigendom van hengsten/hengstveulens die bij de stoeterij gestald stonden. De gedaagde partij voert ook aan dat de eisende partij een lagere, niet marktconforme prijs voor de hengst heeft betaald, hetgeen ook een aanwijzing oplevert dat hij niet te goeder trouw was.
 

 

De rechter overweegt dat artikel 3:86 lid 1 BW spreekt van een overdracht anders dan om niet. Anders gezegd: er is een tegenprestatie vereist en het is niet noodzakelijk dat deze correspondeert met de werkelijke waarde van het overgedragen paard. Een aanwijzing dat de eisende partij niet te goeder trouw was ten tijde van de koop van de hengst levert de betaling van de door de eisende partij betaalde koopprijs dan ook niet op. Dat betekent dat de stellingen van partijen met betrekking tot de waarde van het paard verder onbesproken kunnen blijven.
 

 

De rechter is van oordeel dat de door de eisende partij gestelde omstandigheden, te weten dat de hengst bij de stoeterij gestald was en daar werd gereden, in combinatie met het feit dat het paspoort en de stamboekinschrijving van de hengst op naam van de stoeterij stonden, in beginsel rechtvaardigen dat de eisende partij de stoeterij voor bevoegd mocht houden het paard te verkopen. De eisende partij betwist dat hij voorafgaand aan de koop van de hengst ervan op de hoogte was dat er een conflict was over de eigendom van (onder meer) de hengst tussen de gedaagde partij en de stoeterij.
 

 

De eisende partij stelt dat hij pas veel later, nadat de koopovereenkomst was gesloten, van een en ander op de hoogte is geraakt. De rechtbank overweegt dat de bewijslast ten aanzien van het ontbreken van goede trouw (in de zin van artikel 3:11 BW) aan de zijde van de eisende partij ingevolge artikel 3:86 lid 1 juncto artikel 3:118 lid 3 BW rust op de gedaagde partij".
 

Bij vonnis van 13 mei 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het beslag van de wederpartij onrechtmatig is nu zij niet heeft kunnen bewijzen dat de cliënt niet te goeder trouw zou hebben gehandeld. Er is dan ook sprake van een rechtsgeldige overdracht en het beslag moet als onrechtmatig worden aangemerkt en de wederpartij is aansprakelijk voor de geleden schade.

Terug
↑