24-11-16 - Onvrijwillige stallingskosten

Plaatsing: 24-11-2016
Uitspraken >> Nieuws

De cliënt van mr. Wensing maakt aanspraak op kosten van onderhoud, stalling en training van een tweetal paarden die in eigendom toebehoren aan de wederpartij. Namens de cliënt wordt gesteld dat deze vordering voortvloeit uit een overeenkomst van opdracht en indien hiervan geen sprake is op grond van zaakwaarneming. Op 1 oktober 2015 heeft de eigenaar getracht om de paarden op te halen, maar de cliënt heeft hier een stokje voor gestoken met een beroep op retentie (eerst betalen en dan ophalen).

De wederpartij stelt dat er sprake is van een samenwerkings- en koopovereenkomst. Zo zouden partijen hebben afgesproken dat zij ieder voor de helft eigenaar zouden zijn en dat de partner van cliënt de paarden naar de Z klasse moest rijden alvorens de kosten en baten verdeeld zouden worden. Volgens de wederpartij was dit niet geschied en wordt door hem de overeenkomst ontbonden en hieruit vloeit een schadevergoedingsactie voort, te weten het verschil tussen de geschatte waarde (uitgaande van Z niveau) en de huidige waarde.

De rechter oordeelt dat partijen tegenstrijdige standpunten innemen en uiteenlopende visies hebben ten aanzien van hun bedoelingen. Ook staat vast dat de cliënt heeft aangegeven dat de kosten zouden worden betaald / verrekend na verkoop en derhalve kan de vordering niet gebaseerd worden op wanprestatie dan wel onrechtmatige daad. Daarbij is een beroep op zaakwaarneming evenmin haalbaar nu partijen wel zijn overeengekomen dat de cliënt de paarden zou stallen, verzorgen en trainen. Nu de cliënt tegen de wens in van de eigenaar de paarden heeft behouden kan aan hem geen recht op retentie worden toegekend. Volgens de rechter kan van mede eigendom geen sprake zijn nu de wederpartij zelf heeft gesteld dat dit recht eerst zou worden verkregen nadat de klasse Z dressuur was bereikt. Hierbij oordeelt de rechter dat niet is gebleken van een resultaatsverbintenis en de tegenvorderingen van de wederpartij worden dan ook afgewezen.

De kosten over een periode van 2 jaar (tot aan de datum van inroepen retentierecht) dient de wederpartij een de cliënt te betalen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de oorspronkelijke bedoeling, zoals de aandeel in de waarde van de paarden door middel van het verkrijgen van mede-eigendom en niet de tarieven die commerciële stallen hanteren.

Terug
↑