26-04-16 - Nieuwe kansen in hoger beroep

Plaatsing: 26-04-2016
Uitspraken >> Nieuws

De cliënte van mr. Wensing heeft jarenlang samengewoond en gezamenlijk hadden zij een bekende stoeterij in het midden van het land opgezet. De wederpartij was eigenaar van het onroerend goed en stond als eenmanszaak ingeschreven. Nadat partijen uit elkaar gingen vorderde de cliënte de helft van het paardenbestand. Twee paarden had zij in het buitenland verkocht. De wederpartij stelde dat de cliënte nergens recht op had; de stoeterij zou zijn onderneming zijn. De cliënte werkte alleen maar voor de stoeterij als meewerkend partner. Namens de cliënte werd gesteld dat het ook voor de buitenwacht volledig duidelijk was dat de stoeterij door beiden werd gedreven en de paarden werden dan ook gezamenlijk aangekocht en / of gefokt. In casu was dan ook sprake van een maatschap. Ook hadden partijen enkele afspraken over het eigendom van de paarden schriftelijk vastgelegd. De rechtbank oordeelde dat de cliënte niet had bewezen dat er tussen partijen een maatschap is geweest en wees de vordering van de cliënte af en veroordeelde de cliënte tot betaling van een schadevergoeding nu zij twee paarden had verkocht. De cliënte was het niet eens met dit vonnis en stelde hoger beroep in. Het Gerechtshof oordeelde dat bij het bestaan van de overeenkomst wel degelijk aangenomen moet worden dat partijen een maatschap hadden en overweegt om een deskundige te benoemen. Ook zullen partijen voor het Hof moeten verschijnen om aanvullende vragen te beantwoorden. Ook deze zaak leert weer dat het instellen van hoger beroep de zaak een geheel andere wending kan geven. 

Terug
↑