31-03-18 - Rechtbank wijst beroep wederpartij op bedrog af |
| Plaatsing: 05-04-2018 |
| Uitspraken >> Nieuws |
De wederpartij kocht van de cliënt van de paardenadvocaat een paard. Na de levering stelde de wederpartij dat het paard problemen zou hebben aan de achterbenen. Ook zou gebleken zijn dat bij het paard ten tijde van de keuring doping zou zijn toegediend. De wederpartij spande tegen de cliënt een rechtszaak aan. De cliënt van mr. Wensing voerde verweer en betwiste dat bij het paard doping zou zijn toegediend. Ook was tussen partijen geen doel van de aankoop overeengekomen en bleek bij de keuring dat het paard behept was met bemerkingen, waaronder aan de achterbenen. Dit was dus bij de koper bekend. De rechter oordeelde ten gunste van de cliënt.
De wederpartij stelde dat de cliënt een feit heeft verzwegen dat hij verplicht was mede te delen, nu de wederpartij niet is geïnformeerd over de toediening van een verboden middel en over de aanwezigheid van enig gebrek aan de achterbenen van het paard (incoördinatie verband houdend met artrotische veranderingen in de halswervel). De wederpartij stelt niet dat sprake was van een opzettelijke verzwijging, hetgeen wel vereist is om bedrog te kunnen aannemen. De wederpartij stelt voorts dat sprake is van een opzettelijke kunstgreep, doordat in opdracht van of met medeweten van de cliënt als (verantwoordelijke en) eigenaar van het paard het middel moet zijn toegediend. Daardoor zou een verkeerde voorstelling van zaken zijn ontstaan. Echter de wederpartij heeft haar stellingen onvoldoende onderbouwd en niet is vast komen te staan dat er sprake was van een kunstgreep. De cliënt had niet de wens of behoefte het paard te verkopen en evenmin aangedrongen op aankoop van het paard door de wederpartij.
Voorts oordeelt de rechtbank dat het door de wederpartij gestelde beoogde gebruik van het paard voor de dressuursport, moet worden gezien als een bijzonder gebruik van het paard. De wederpartij mag de eigenschappen verwachten die voor dat bijzonder gebruik nodig zijn, mits dat bij de overeenkomst is voorzien. Partijen moeten het gebruik voor de dressuursport aldus impliciet of expliciet overeengekomen zijn. De wederpartij stelt dat hij voor aankoop kenbaar maakte dat hij als professioneel dressuur ruiter het paard wilde trainen en uitbrengen. De cliënt betwist dat kenbaar was dat de wederpartij het paard voor de dressuur wenste te gebruiken. Over het doel van de aankoop zou de wederpartij niets hebben verteld, het paard zou bijvoorbeeld ook ingezet kunnen worden in de fokkerij.
Gelet op het vorenstaande draagt de rechter de wederpartij op te bewijzen dat partijen het gebruik van het paard voor de dressuursport overeengekomen zijn, opdat de rechtbank in staat wordt gesteld te beoordelen wat de cliënt wist of had behoren te weten omtrent het gebruik waarvoor het paard bestemd was en de bedoeling van de wederpartij .
Terug