Bewijsvermoeden? |
| Plaatsing: 29-12-2025 |
Belangrijkste oordelen van het hof:
1) Consumentenkoop: ja
Het hof bevestigt dat sprake is van consumentenkoop (art. 7:5 BW):
Dat de aankoopfactuur op naam van een eenmanszaak van kopers stond, maakt dat niet anders: de factuurtenaamstelling is geen essentieel onderdeel van de koop (geen “essentialia”). Overige omstandigheden (veterinaire rapporten/facturen op privénaam, betaling vanaf privérekening, geen inbreng in onderneming) ondersteunen dat de koop privé was.
Grieven tegen het incidentvonnis (onbevoegdheid kanton) falen.
2) Klachtplicht: tijdig geklaagd
Kopers meldden al in juli 2021 dat het paard niet zuiver liep, waarna:
Het hof oordeelt dat er geen te late klacht is en dat verkopers ook niet aannemelijk maken dat zij door eventueel tijdsverloop in hun onderzoeksmogelijkheden/bewijspositie zijn geschaad.
3) Onderzoeksplicht koper: niet geschonden
Kopers lieten het paard klinisch keuren; verkopers hadden bovendien mededelingen gedaan over gezondheid en (ook) röntgenfoto’s verstrekt. Onder die omstandigheden hoefden kopers niet méér te doen (zoals aanvullend röntgenologisch onderzoek). Bovendien: een röntgenonderzoek detecteert peesproblemen doorgaans niet, zodat niet is onderbouwd dat dit het probleem had voorkomen.
4) Wettelijk bewijsvermoeden art. 7:18 lid 2 BW (oud): van toepassing en niet weerlegd
Omdat de koop is gesloten in 2021 geldt art. 7:18 lid 2 BW (oud): openbaart de afwijking zich binnen 6 maanden, dan wordt vermoed dat het paard bij aflevering non-conform was, tenzij uitzonderingen gelden.
Het hof benadrukt (richtlijnconforme uitleg; o.a. verwijzing naar HvJEU Faber/Hazet Ochten en HR 5 november 2021) dat verkopers tegendeelbewijs moeten leveren: zij moeten bewijzen dat het gebrek niet bestond bij aflevering, en kunnen niet volstaan met “twijfel zaaien”.
Verkopers stelden o.a.:
Het hof verwerpt dit:
Het bewijsvermoeden blijft staan → non-conformiteit staat vast.
5) Bewijsaanbod en (nieuw) deskundigenonderzoek: niet nodig
Omdat verkopers ook in hoger beroep onvoldoende concreet onderbouwden dat de gebreken pas na levering zijn ontstaan, worden zij niet tot (nadere) bewijslevering/deskundigenbericht toegelaten.
6) Wederzijdse dwaling en ongerechtvaardigde verrijking: blijft in stand
Het hof laat het oordeel van de kantonrechter in stand dat sprake is van wederzijdse dwaling: partijen gingen bij de koop uit van een onjuiste veronderstelling dat het paard gezond/geschikt was.
Daarmee blijft ook de daarop gebaseerde terugbetaling en (verder) de toegewezen posten (o.a. kosten/schade, ongerechtvaardigde verrijking) in stand; daartegen waren bovendien nauwelijks inhoudelijke grieven gericht.
Uitkomst:
Terug