Procedureel kader:
In een eerder tussenvonnis kreeg de eigenaar een bewijsopdracht: bewijs dat op 14 juni 2021 mondeling is afgesproken “alleen staand, géén algehele narcose”. Daarna volgden getuigenverhoren (bewijswaardering onder oud bewijsrecht, omdat de zaak al liep vóór 1 januari 2025).
Belangrijk: de verklaring van de eigenaar als partijgetuige levert onder het toen geldende art. 164 lid 2 Rv (oud) alleen bewijs in haar voordeel op als er sterk aanvullend bewijs is.
Bewijswaardering door de rechtbank:
Getuigen eigenaar (3): eigenaar + ouders
Zij verklaren in de kern dat sterk is aangedrongen op staand opereren en dat de kliniek daarmee akkoord zou zijn gegaan.
Getuigen kliniek (3): operateur/bestuurder + (andere) dierenartsen
De operateur verklaart gedetailleerd dat:
- hij wel wilde beginnen met een staande ingreep,
- maar dat vooraf toestemming nodig was om bij noodzaak over te schakelen naar algehele narcose,
- en dat hij ook heeft gezegd: als die vrijheid er niet is, opereren we niet.
De overschakeling gebeurde omdat het paard (door o.a. morfine-effect) het hoofd onverwacht bewoog, waardoor het risico op het raken van vitale structuren te groot werd.
Waarom het bewijs niet geleverd is:
De rechtbank oordeelt dat wel vaststaat dat de eigenaar een sterke voorkeur had voor “staand”, maar dat het cruciale punt (uitsluiting van narcose) niet overtuigend is bewezen. Doorslaggevend in de motivering:
- verklaringen lopen juist op het beslissende punt uiteen;
- de verklaring van de operateur is uitvoerig, consistent en plausibel;
- het ligt niet voor de hand dat een chirurg simpelweg “oké” zou zeggen op een eis die medisch-operatief risicovol kan zijn (“geen weg terug” tijdens ingreep);
- de vader verklaart in een richting die eerder past bij “als er extra ingrepen nodig zijn, graag op de hoogte” dan bij “uitsluitend staand”;
- de eigenaar ondertekende na afloop hospitalisatievoorwaarden met voorafgaande toestemming voor noodzakelijke behandelingen/ingrepen en ook algehele anesthesie—dat botst met een gestelde afwijkende harde afspraak;
- verklaring van de moeder bevat elementen (o.a. discussie over hogere kosten staand) die niet door anderen worden bevestigd, wat twijfel oproept.
Conclusie: onvoldoende aanvullend bewijs om de partijgetuigenverklaring van de eigenaar te dragen → bewijsopdracht niet gehaald.
Gewijzigde grondslag eigenaar: ook afgewezen
De eigenaar voerde later nog aan dat de kliniek had moeten waarschuwen dat morfine vaker “hoofdkni(k)ken” kan geven en opnieuw had moeten overleggen vóór overschakeling naar narcose. De rechtbank wijst dit af omdat:
- niet is aangetoond dat er een afspraak bestond “eerst bellen vóór narcose”;
- hospitalisatieformulier juist vooraf toestemming gaf;
- bovendien is niet voldoende onderbouwd dat er praktisch tijd/ruimte was om tijdens het omschakelmoment te bellen.
Uitkomst:
Conventie (claim eigenaar)
- Afwijzing van alle vorderingen (geen aansprakelijkheid/tekortkoming vastgesteld).
- Eigenaar betaalt proceskosten kliniek: € 4.184 (incl. getuigenkosten en nakosten), met wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad voor de kostenbeslissing.
Reconventie (vordering kliniek)
- Toewijzing betaling operatiefactuur: € 3.223,85 + wettelijke rente vanaf 7 november 2021.
- Proceskosten reconventie voor eigenaar: € 1.376 + rente, uitvoerbaar bij voorraad.
Terug