Van ruilen komt huilen.

Plaatsing: 30-12-2025
Uitspraken >>

Geschil:

Vennootschap A ging in hoger beroep tegen de veroordeling om € 7.500 te betalen. Kernverweren:

  • zij was niet de contractspartij;
  • er zou een prijsverlaging zijn afgesproken naar € 20.000.

Oordeel hof:

  • In de relevante periode was Partij 2 uitsluitend bestuurder/vertegenwoordiger van Vennootschap A (en niet van Vennootschap B).
  • Paard 2 stond bij Vennootschap A op stal en er waren stallingsbetalingen aan Vennootschap A.
  • Correspondentie liep via het e-mailadres van Vennootschap A.
    Partij 1 mocht afleiden dat Vennootschap A contractspartij was.

Het verweer “prijsverlaging naar € 20.000” is onvoldoende concreet onderbouwd (stelplicht/bewijslast bij Vennootschap A). Ook een beroep op zaakwaarneming/ongerechtvaardigde verrijking wordt niet met feiten ingevuld.
 

Geen bewijslevering; grieven falen.

Uitkomst

  • Bekrachtiging van het vonnis: € 7.500 blijft verschuldigd.
  • Vennootschap A betaalt proceskosten hoger beroep (griffierecht + salaris advocaat).

Zaak (Paard 1)

Geschil:

Partij 1 wilde alsnog € 60.000 terug (koopprijs Paard 1), en baseerde zich in hoger beroep vooral op de overeenkomst van 14 juli 2013 (verkoop/ruil “zonder kosten”).

Oordeel hof

  • Het hof merkt op dat (naar de feiten) sprake lijkt van consumentenkoop (gekocht voor echtgenote; geen factuur/stukken), maar de klachtplicht bij de oorspronkelijke koop is hier niet beslissend, omdat Partij 1 zijn vordering in hoger beroep niet (meer) baseert op non-conformiteit/wanprestatie uit de koop van 15 juni 2013, maar op tekortschieten in de afspraak van 14 juli 2013.
  • Uit die tekst volgt alleen: verkopen of ruilen; niet dat de verkoper “hoe dan ook” het paard terugneemt en de koopprijs terugbetaalt.
  • Bovendien haalde Partij 1 het paard in november 2013 zelf weer op; er zijn geen concrete feiten gesteld waaruit blijkt dat de afspraak van 14 juli 2013 daarna bleef gelden of dat nieuwe bindende afspraken zijn gemaakt.
     
  • Partij 1 onderbouwt onvoldoende dat Vennootschap B een verplichting had die zij niet is nagekomen die leidt tot schadevergoeding van € 60.000.

Uitkomst:

  • Bekrachtiging van de afwijzing van de € 60.000-vordering.
  • Partij 1 betaalt proceskosten hoger beroep (griffierecht + salaris advocaat; incident nihil).

Eindoordeel:

In beide hoger beroepen blijft het eindvonnis van 30 december 2015 in stand:

  • Paard 2: Vennootschap A moet € 7.500 betalen (bekrachtigd).
  • Paard 1: Partij 1 krijgt geen € 60.000 terug (bekrachtigd).

 

Terug
↑