Geschil:
Vennootschap A ging in hoger beroep tegen de veroordeling om € 7.500 te betalen. Kernverweren:
- zij was niet de contractspartij;
- er zou een prijsverlaging zijn afgesproken naar € 20.000.
Oordeel hof:
- In de relevante periode was Partij 2 uitsluitend bestuurder/vertegenwoordiger van Vennootschap A (en niet van Vennootschap B).
- Paard 2 stond bij Vennootschap A op stal en er waren stallingsbetalingen aan Vennootschap A.
- Correspondentie liep via het e-mailadres van Vennootschap A.
Partij 1 mocht afleiden dat Vennootschap A contractspartij was.
Het verweer “prijsverlaging naar € 20.000” is onvoldoende concreet onderbouwd (stelplicht/bewijslast bij Vennootschap A). Ook een beroep op zaakwaarneming/ongerechtvaardigde verrijking wordt niet met feiten ingevuld.
Geen bewijslevering; grieven falen.
Uitkomst
- Bekrachtiging van het vonnis: € 7.500 blijft verschuldigd.
- Vennootschap A betaalt proceskosten hoger beroep (griffierecht + salaris advocaat).
Zaak (Paard 1)
Geschil:
Partij 1 wilde alsnog € 60.000 terug (koopprijs Paard 1), en baseerde zich in hoger beroep vooral op de overeenkomst van 14 juli 2013 (verkoop/ruil “zonder kosten”).
Oordeel hof
- Het hof merkt op dat (naar de feiten) sprake lijkt van consumentenkoop (gekocht voor echtgenote; geen factuur/stukken), maar de klachtplicht bij de oorspronkelijke koop is hier niet beslissend, omdat Partij 1 zijn vordering in hoger beroep niet (meer) baseert op non-conformiteit/wanprestatie uit de koop van 15 juni 2013, maar op tekortschieten in de afspraak van 14 juli 2013.
- Uit die tekst volgt alleen: verkopen of ruilen; niet dat de verkoper “hoe dan ook” het paard terugneemt en de koopprijs terugbetaalt.
- Bovendien haalde Partij 1 het paard in november 2013 zelf weer op; er zijn geen concrete feiten gesteld waaruit blijkt dat de afspraak van 14 juli 2013 daarna bleef gelden of dat nieuwe bindende afspraken zijn gemaakt.
- Partij 1 onderbouwt onvoldoende dat Vennootschap B een verplichting had die zij niet is nagekomen die leidt tot schadevergoeding van € 60.000.
Uitkomst:
- Bekrachtiging van de afwijzing van de € 60.000-vordering.
- Partij 1 betaalt proceskosten hoger beroep (griffierecht + salaris advocaat; incident nihil).
Eindoordeel:
In beide hoger beroepen blijft het eindvonnis van 30 december 2015 in stand:
- Paard 2: Vennootschap A moet € 7.500 betalen (bekrachtigd).
- Paard 1: Partij 1 krijgt geen € 60.000 terug (bekrachtigd).
Terug