Wanneer een paardenhandelaar tóch als verkoper wordt gezien. |
| Plaatsing: 06-08-2026 |
Een moeder was op zoek naar een geschikt springpaard voor haar dochter. Zij kwam in contact met een professionele paardenhandelaar, die haar wees op een paard dat op dat moment bij een derde eigenaar op stal stond. De moeder en haar dochter bezichtigden het paard tweemaal. De handelaar regelde beide bezichtigingen en was daarbij aanwezig.
Na de tweede bezichtiging werd het paard gekocht voor € 9.500 exclusief btw. Opvallend was dat de factuur niet afkomstig was van de particuliere eigenaar van het paard, maar van de onderneming van de handelaar. Ook werd de koopprijs betaald op de bankrekening van die onderneming. Vervolgens werd het paard geleverd.
Aanvankelijk leek alles goed te gaan. De dochter reed wedstrijden in de B-klasse springen en het paard functioneerde naar behoren.
Maar enkele maanden later veranderde dat volledig.
In mei begon het paard kreupelheidsverschijnselen te vertonen. De koper koos niet direct voor een juridische procedure, maar probeerde eerst het paard beter te krijgen. Gedurende ongeveer twee maanden werd het dier behandeld door dierenartsen.
Toen de behandelingen geen verbetering brachten, stuurde de koper een WhatsApp-bericht aan de handelaar. Zij schreef dat inmiddels was gebleken dat het paard "vanaf het begin al wat stijf liep" en inmiddels volledig kreupel was. Ook meldde zij dat meerdere dierenartsen hadden aangegeven dat de oorzaak waarschijnlijk al veel langer aanwezig was. Zij wilde daarom gezamenlijk naar een oplossing zoeken.
Een gespecialiseerd veterinair onderzoek bevestigde vervolgens de ernst van de situatie. Het paard bleek ernstige kreupelheid te vertonen. Op de röntgenfoto's werden onder meer artrose en verkalkingen vastgesteld en de echo liet een beschadiging van de diepe buigpees zien. De dierenarts adviseerde eerst overleg met de verkoper voordat verdere diagnostiek zou plaatsvinden.
Daarop ontbond de koper buitengerechtelijk de koopovereenkomst wegens non-conformiteit en vorderde terugbetaling van de koopprijs en schadevergoeding.
Opmerkelijk genoeg ging de procedure niet direct over de gezondheid van het paard.
De handelaar stelde namelijk dat hij helemaal geen verkoper was. Volgens hem was het paard eigendom van een particulier en had hij slechts geholpen bij de verkoop. Bovendien zou niet de moeder, maar de BV van haar echtgenoot koper zijn geworden, omdat die de factuur had betaald.
De rechtbank moest daarom eerst vaststellen wie juridisch als contractspartijen moesten worden aangemerkt.
Daarbij grijpt de kantonrechter terug op een klassieker uit het Nederlandse contractenrecht: het Kribbebijter-arrest van de Hoge Raad uit 1977. Dat arrest bepaalt dat niet beslissend is wie intern eigenaar is of wie achteraf verklaart verkoper te zijn, maar vooral wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten afleiden.
Volgens de rechtbank was duidelijk dat de moeder zelf als koper optrad.
Alle gesprekken verliepen rechtstreeks tussen haar en de handelaar. Zij zocht een paard voor haar dochter. Nergens bleek dat zij namens de onderneming van haar echtgenoot handelde. Dat de factuur uiteindelijk door die onderneming werd betaald, maakte dat niet anders.
Een betaling door een derde zegt immers niet automatisch iets over de identiteit van de contractspartij. De rechtbank concludeerde daarom dat de moeder persoonlijk koper was geworden.
Ook aan de zijde van de verkoper koos de rechtbank voor de feitelijke werkelijkheid.
De handelaar had alle contacten onderhouden, beide bezichtigingen georganiseerd, de onderhandelingen gevoerd, zelf de factuur gestuurd en de koopsom op zijn eigen zakelijke rekening laten betalen.
Dat het paard feitelijk eigendom was van een derde en bij die derde op stal stond, vond de rechtbank onvoldoende. Voor de koper was nergens kenbaar gemaakt dat de handelaar slechts als tussenpersoon optrad.
Zelfs interne correspondentie tussen de handelaar en de eigenaar kon hem niet baten. Die communicatie was immers nooit met de koper gedeeld en speelde daarom geen rol bij de vraag wat de koper redelijkerwijs mocht aannemen.
De rechtbank concludeerde daarom dat de handelaar juridisch als verkoper moest worden beschouwd.
Dit onderdeel van het vonnis is bijzonder relevant voor de paardenhandel. Professionele handelaren die zich naar buiten toe als verkoper presenteren, lopen het risico ook juridisch als verkoper te worden aangemerkt, zelfs wanneer het paard feitelijk eigendom is van een derde.
Nu vaststond wie koper en verkoper waren, kon de rechtbank de volgende stap zetten.
Omdat de koper handelde als particulier en de verkoper beroepsmatig paarden verkocht, kwalificeerde de overeenkomst als een consumentenkoop.
Dat heeft grote gevolgen.
Bij een consumentenkoop geniet de koper immers een aanzienlijk hogere mate van wettelijke bescherming dan bij een gewone koopovereenkomst.
De handelaar voerde vervolgens aan dat de koper veel te laat had geklaagd.
Ook dat verweer hield geen stand.
De rechtbank benadrukt dat bij consumentenkoop de klachttermijn pas begint te lopen vanaf het moment waarop de koper het gebrek daadwerkelijk ontdekt. Bovendien mag een koper eerst onderzoeken of behandeling mogelijk is. Pas wanneer blijkt dat herstel uitblijft, hoeft de verkoper te worden geïnformeerd.
Omdat de koper na de eerste kreupelheidsklachten eerst gedurende ongeveer twee maanden veterinair onderzoek en behandeling had laten plaatsvinden en daarna vrijwel direct de handelaar via WhatsApp had geïnformeerd, achtte de rechtbank de klacht volledig tijdig.
Ook dit is een belangrijk leerstuk.
Een koper hoeft dus niet onmiddellijk na de eerste symptomen een advocaat in te schakelen. Eerst proberen het probleem op te lossen is juist een normale en redelijke gang van zaken.
Daarna komt de kernvraag.
De rechtbank stelt vast dat het paard ernstig kreupel is en daardoor niet meer geschikt is als springpaard op amateurniveau. Juist voor dat gebruik was het paard gekocht.
Wanneer de oorzaak van die kreupelheid al bestond op het moment van levering, beantwoordde het paard niet aan de overeenkomst en is sprake van non-conformiteit.
Hier wordt de uitspraak juridisch bijzonder interessant.
Omdat sprake is van een consumentenkoop én de ernstige kreupelheid zich binnen één jaar na levering heeft geopenbaard, geldt het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 7:18a BW.
Dat betekent dat de wet ervan uitgaat dat de oorzaak van het gebrek al aanwezig was op het moment van aflevering.
Niet de koper, maar de verkoper moet vervolgens bewijzen dat dit níet zo is.
De handelaar probeerde dat vermoeden te weerleggen door te stellen dat het paard in de eerste maanden nog wedstrijden had gelopen en mogelijk tijdens een val een peesblessure had opgelopen.
De rechtbank vond die uitleg echter onvoldoende.
Dat een paard aanvankelijk nog kan functioneren, sluit immers niet uit dat een onderliggende aandoening al aanwezig was. Artrose en verkalkingen ontwikkelen zich vaak langzaam en kunnen pas later duidelijke klachten veroorzaken. Ook de gestelde val tijdens een wedstrijd was onvoldoende onderbouwd. Daarom bleef het wettelijke vermoeden voorlopig overeind.
De rechtbank wees de vordering daarom nog niet direct toe.
De verkoper kreeg eerst de gelegenheid om tegenbewijs te leveren. Hij mocht aangeven of hij dat wilde doen door middel van getuigen, een deskundigenonderzoek of andere bewijsmiddelen.
Pas nadat dat tegenbewijs is geleverd, zal de rechtbank definitief beslissen of de koopovereenkomst wordt ontbonden en of schadevergoeding moet worden betaald.
Terug