Wie is aansprakelijk voor ziek veulen? |
| Plaatsing: 15-04-2026 |
In het najaar van 2021 vertrouwt de eigenaresse haar jonge paard toe aan een professionele stalhouder, die het dier samen met andere jonge paarden laat opgroeien, zoals gebruikelijk is om het dier te laten wennen aan soortgenoten en zijn plaats in de groep te leren vinden. Lange tijd lijkt er geen reden tot zorg, totdat vlak na de kerstdagen plotseling bericht komt dat het veulen ziek is. Wat eerst misschien nog klinkt als een alledaagse melding, blijkt al snel ernstiger: een dierenarts constateert een longontsteking en niet veel later wordt het dier opgenomen in een gespecialiseerde kliniek, waar een intensieve behandeling noodzakelijk is.
Voor de eigenaresse voelt het alsof deze ontwikkeling niet uit de lucht kan zijn komen vallen. Zij is ervan overtuigd dat het veulen al eerder klachten moet hebben gehad en dat die signalen door de stalhouder zijn gemist of in ieder geval niet serieus genoeg zijn genomen. In haar beleving is kostbare tijd verloren gegaan, tijd waarin had kunnen worden ingegrepen voordat de ziekte zich zo ernstig ontwikkelde. De stalhouder ziet dat echter anders en wijst erop dat bij jonge paarden ziektebeelden zich soms snel en grillig ontwikkelen, waarbij eerste symptomen nauwelijks zichtbaar zijn en een plotselinge verslechtering niet ongebruikelijk is. Volgens hem is gehandeld zodra daar aanleiding voor was en kan niet worden gezegd dat eerder optreden het verschil had gemaakt.
De rechter ziet zich daarmee geplaatst voor een lastige vraag, die zich niet eenvoudig laat beantwoorden met alleen de verklaringen van partijen. Het gaat immers niet alleen om wat er is gebeurd, maar vooral om wat er mogelijk eerder had kunnen worden gezien en gedaan, en welk effect dat zou hebben gehad. Om die reden wordt besloten een deskundige in te schakelen, een specialist op het gebied van interne ziekten bij paarden, die met terugwerkende kracht moet proberen te reconstrueren hoe de ziekte zich heeft ontwikkeld en of het handelen van de stalhouder binnen de grenzen van zorgvuldig handelen is gebleven.
Het rapport van deze deskundige brengt wel meer duidelijkheid, maar geen harde veroordeling. Zo wordt aannemelijk geacht dat het veulen ergens in de periode van ongeveer een week vóór de eerste melding ziek is geworden, maar wordt tegelijk benadrukt dat de eerste symptomen in die fase subtiel kunnen zijn en daardoor gemakkelijk onopgemerkt blijven. Ook blijkt dat het ziekteverloop van een longontsteking bij een jong paard grillig kan zijn en dat een dier in korte tijd aanzienlijk kan verslechteren. Hoewel het denkbaar is dat eerder ingrijpen in sommige gevallen verschil kan maken, kan in dit concrete geval niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat dit ook daadwerkelijk zo zou zijn geweest. Evenmin is gebleken dat het transport naar de kliniek of de gekozen behandeling de situatie heeft verergerd; integendeel, de intensieve behandeling wordt als medisch gerechtvaardigd beschouwd.
Met deze bevindingen komt de zaak in een beslissende fase. De kernvraag is dan niet langer of het veulen ernstig ziek is geweest – dat staat vast – maar of de stalhouder juridisch verwijtbaar heeft gehandeld en of dat handelen de schade heeft veroorzaakt. Juist op dat punt blijft onzekerheid bestaan. En die onzekerheid is doorslaggevend, omdat in het recht geldt dat degene die stelt dat een ander tekort is geschoten, dat ook moet kunnen bewijzen. Het enkele feit dat de afloop ernstig is geweest, hoe ingrijpend ook, betekent nog niet dat daarmee automatisch sprake is van aansprakelijkheid.
De rechter komt dan ook tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de stalhouder zijn zorgplicht heeft geschonden. Er is onvoldoende bewijs dat hij eerder had moeten ingrijpen, en evenmin dat eerder ingrijpen het ziekteverloop wezenlijk had kunnen veranderen. Daarmee ontbreekt het noodzakelijke causale verband tussen het gestelde tekortschieten en de schade. De vorderingen van de eigenaresse worden daarom afgewezen en zij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder ook de kosten van de deskundige vallen.
Wat deze zaak uiteindelijk laat zien, is hoe lastig het kan zijn om achteraf met zekerheid vast te stellen wat er op een eerder moment had moeten gebeuren, zeker wanneer medische processen een rol spelen die zich niet altijd voorspelbaar ontwikkelen. Tussen wat mogelijk was en wat aantoonbaar is, gaapt soms een kloof, en juist die kloof kan in het recht beslissend zijn.
Terug