Hof beantwoordt groot aantal rechtsvragen.

Plaatsing: 29-12-2025
Uitspraken >>

Feiten in hoofdlijnen:

  • Kopers zochten een dressuurpaard en schakelden een bemiddelaar in.
  • Het paard werd bezichtigd op stal van de verkoper, in aanwezigheid van een derde (partner van de verkoper).
  • Het paard werd voorafgaand aan de koop veterinair gekeurd.
  • De koopprijs (€ 27.500) werd betaald op een rekening van de partner van de verkoper.
  • Na levering kreeg het paard volgens kopers rijtechnische problemen, kreupelheid en allergische klachten.
  • Kopers verzochten ontbinding/vernietiging van de koop; verkoper weigerde het paard terug te nemen.

Procedure bij de kantonrechter:

  • De kantonrechter oordeelde:
    • dat sprake was van consumentenkoop;
    • dat de verkoper contractspartij was;
    • maar dat niet bewezen was dat het paard bij levering gebrekkig was.
  • De vorderingen van kopers werden afgewezen; zij werden veroordeeld in de proceskosten.

Hoger beroep

Principaal hoger beroep (kopers)

Kopers voeren aan dat de kantonrechter art. 7:18 lid 2 BW (oud) onjuist heeft toegepast.
Volgens hen had moeten gelden dat, nu de klachten zich binnen zes maanden openbaarden, wordt vermoed dat het paard bij levering non-conform was, waardoor de bewijslast onjuist bij hen is gelegd.

Incidenteel hoger beroep (verkoper)

De verkoper stelt dat niet hij, maar zijn partner de verkopende partij was en dus contractspartij.
De koopprijs is immers betaald aan de partner en het paard was haar eigendom.

Oordeel van het hof:

Contractspartij (incidenteel hoger beroep)

  • Het hof stelt voorop dat beslissend is wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars gedragingen redelijkerwijs mochten afleiden (art. 3:33–3:35 BW).
  • Kopers hebben feiten gesteld waaruit volgt dat zij mochten aannemen dat de verkoper contractspartij was (presentatie, onderhandelingen, keuring, instructies).
  • Verkoper heeft dit gemotiveerd betwist en aangevoerd dat zijn partner eigenaar en verkoper was.
  • Op basis van de huidige stukken kan niet worden vastgesteld wie contractspartij is.

Bewijslevering is noodzakelijk.
De bewijslast rust op kopers, omdat zij zich beroepen op de rechtsgevolgen daarvan (art. 150 Rv).

Gebreken aan het paard

  • Het hof komt nog niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de gestelde gebreken.
  • Indien kopers slagen in het bewijs van contractspartij, ligt het in de rede dat deskundigenonderzoek zal volgen naar de gezondheid van het paard.

Beslissing

Het hof:

  • laat kopers toe tot bewijslevering dat de koopovereenkomst met betrekking tot het paard met de verkoper tot stand is gekomen;
  • bepaalt de wijze en termijnen voor het indienen van stukken en het horen van getuigen;
  • houdt alle verdere beslissingen aan.

Het hof wijst partijen nadrukkelijk op de mogelijkheid van een minnelijke regeling, gezien de te verwachten duur en kosten van vervolgprocedures.

Juridisch belang van dit arrest:

  • Onderstreept het belang van duidelijke contractspartijvaststelling bij paardenhandel.
  • Laat zien dat betaling aan een derde (bijv. partner) niet doorslaggevend is, maar wel relevant.
  • Bevestigt dat bij betwisting van contractspartij de bewijslast rust op degene die zich op de overeenkomst beroept.
  • Illustreert dat pas na vaststelling van de contractuele relatie ruimte is voor toepassing van het bewijsvermoeden bij consumentenkoop.

 

Terug
↑